C.H.M. van de Mortel - De bijzondere behandeling van preferente aandelen voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Wet IB 2001 en de SW 1956. - Circulaire

De bijzondere behandeling van preferente aandelen voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in de Wet IB 2001 en de SW 1956.

De wetgever is van mening dat de continuïteit van een onderneming niet in gevaar mag komen doordat belasting is verschuldigd bij de overdracht van die onderneming. Wanneer sprake is van een reële bedrijfsopvolging, kunnen daarom de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten worden toegepast. Preferente aandelen kwalificeren alleen voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten indien deze zijn ontstaan en verkregen in het kader van een gefaseerde bedrijfsopvolging. Welke aandelen moeten worden bestempeld als preferente aandelen, dient te worden beoordeeld met in achtneming van de economische werkelijkheid.

Om te bewerkstelligen dat enkel de overdracht van preferente aandelen in het kader van een gefaseerde bedrijfsopvolging fiscaal wordt begeleid, heeft de wetgever vier nadere voorwaarden gesteld. Voldaan moet worden aan het omzettingsvereiste, het toekenningsvereiste, het ondernemingsvereiste en het aandeelhouderschapsvereiste. Het is de vraag of deze voorwaarden juist zijn vormgegeven. Uit het onderzoek blijkt dat de gedachte achter het omzettingsvereiste en het toekenningsvereiste in overeenstemming is met de ratio van de faciliteiten. Voor deze voorwaarden dienen echter een aantal aanpassingen te worden doorgevoerd, zodat slechts gefaseerde bedrijfsopvolgingen met preferente aandelen kwalificeren. Het ondernemingsvereiste is juist vormgegeven en behoeft geen aanpassingen. Het aandeelhouderschapsvereiste is niet juist vormgegeven en dient te worden aangepast. Het onderzoek pleit ervoor om aan te sluiten bij een 5%-belang van gewone aandelen.