D.A.M. Knol - Hoe rechtvaardig zijn de voorstellen van de OESO/G20 met betrekking tot de belastingheffing van de digitale economie? - Circulaire

Hoe rechtvaardig zijn de voorstellen van de OESO/G20 met betrekking tot de belastingheffing van de digitale economie?

In 2015 publiceerde de OESO dertien actieplannen om grondslaguitholling en winstverschuiving tegen te gaan. Actieplan 1 is gericht op de belastinguitdagingen die de digitale economie met zich meebrengt. In 2019 zijn twee consultatiedocumenten gepubliceerd met voorstellen met betrekking tot belastingheffing van de digitale economie. In deze scriptie wordt onderzocht in hoeverre de voorstellen van de OESO/G20 met betrekking tot belastingheffing van de digitale economie leiden tot een rechtvaardigde winstbelastingheffing. Volgens de OESO is de digitale economie niet te onderscheiden van de economie – zij heeft in haar onderzoek wel kenmerken opgenomen van de digitale economie: (i) mobiliteit, (ii) gebruik van data, (iii) netwerkeffecten, (iv) meerzijdige bedrijfsmodellen, (v) tendens naar monopolie of oligopolie en (vi) hoge mate van volatiliteit. Het huidige internationale belastingkader, belastingverdragen en nationale wetgeving zijn grotendeels gebaseerd op een fysieke vestigingsplaats – dit is in de laatste decennia veranderd. Ondernemingen hebben steeds minder vaak een fysieke vestigingsplaats nodig om activiteiten te kunnen uitoefenen. Gebruikers hebben een belangrijkere rol gekregen in de waarde van een product of dienst. Om te beoordelen of een voldoende aanknopingspunt aanwezig is in een jurisdictie om winstbelasting te kunnen heffen, is het profijtbeginsel van belang. Dit beginsel hangt nauw samen met het gelijkheids- en draagkrachtbeginsel. Het profijtbeginsel is nader uitgewerkt in de kwalitatieve beginselen, zij geven een jurisdictie de rechtvaardiging om een rechtspersoon te onderwerpen aan winstbelasting. De kwalitatieve beginselen zijn: (i) het nationaliteits-, (ii) vestigingsplaats-, (iii) siège reèl-, (iv) bron-, (v) oorsprongs-, (vi) functionaliteits- en (vii) bestemmingsbeginsel. De kwantitatieve beginselen bepalen de omvang van het heffingsrecht. Dit zijn het territorialiteitsbeginsel (beperkt) en het universaliteitsbeginsel (onbeperkt). Mijns inziens zijn het bestemmings- en oorsprongsbeginsel de primaire beginselen om winstbelastingheffing te rechtvaardigen, omdat de rol van de gebruikers in belangrijke mate een rol speelt in de waarde van een product of dienst. Hiermee onderscheidt de digitale economie zich van de traditionele economie (arbeid en kapitaal). De gebruikers zijn daarom een gedeelte van de oorsprong van een product of dienst. Mijns inziens rechtvaardigt dit een heffingsrecht voor een gedeelte van de winst van een digitale onderneming aan een marktjurisdictie. De functie van de marktjurisdictie is hierbij meer dan enkel de bestemming. Mijns inziens is een rechtvaardige winstbelastingheffing een belasting die over winsten heft in de jurisdictie die een economische band heeft met de winsten. Hierbij moet de belastingheffing economisch vergelijkbare gevallen fiscaal gelijk behandelen. Belastingplichtigen moeten bijdrage in de mate van hun draagkracht. Het bestemmings- en oorsprongsbeginsel zijn hiervoor het meest geschikt, omdat deze beginselen een verband aantonen tussen het inkomen en de belastingjurisdictie. Tevens moet, mijns inziens, de belastingheffing de rechtszekerheid waarborgen. Indien de belastingheffing leidt tot dubbele belastingheffing, moet dit worden opgelost in belastingverdragen en moet er een bindende geschillenprocedure zijn. De voorstellen van OESO zijn opgedeeld in twee pijlers: (i) Unified approach-voorstel en (ii) GloBEvoorstel. Het eerste voorstel ziet op de allocatieproblematiek. Het Unified approach-voorstel schrijft een nieuw nexus begrip voor – hierdoor krijgt een marktjurisdictie een beperkt heffingsrecht. Het tweede voorstel pakt de overige BEPS-problematiek aan – door een minimale belastingtarief. Het Unified approach-voorstel kent heffingsrechten toe aan het oorsprongs-/bronbeginsel. Het GloBE-voorstel kent een heffingsrecht toe op basis van het vestigingsplaatsbeginsel. Mijns inziens voldoet het Unified Approach-voorstel beter aan de criteria voor een rechtvaardige verdeling van heffingsrechten dan het GloBE-voorstel.