E.L.M. ROMPELBERG - Het familiale karakter van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in West –Europa. - Circulaire

Het familiale karakter van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten in West –Europa.

Vanwege de essentiële rol die familiebedrijven spelen voor de werkgelegenheid en stabiliteit van de Europese economie, dient volgens de Europese Commissie en het Europees Parlement het rechtskader ten behoeve van familiale bedrijfsoverdrachten te worden geoptimaliseerd om te voorkomen dat zich bijvoorbeeld liquiditeitsproblemen voordoen die de continuïteit van familiebedrijven kunnen belemmeren. De Europese Commissie en het Europees Parlement hebben daarom aanbevolen dat lidstaten faciliteiten invoeren die de overdracht van familiebedrijven aan familieleden en aan werknemers stimuleren, waarbij de lidstaten maatregelen dienen te nemen waardoor de bedrijfsactiviteiten gedurende een bepaalde periode na de overdracht op geloofwaardige wijze worden voortgezet.

In de thesis is voor faciliteiten voor de schenk- en erfbelasting onderzocht of Nederland, België, Duitsland, Frankrijk en Spanje voldaan aan de genoemde criteria. Dit is onderzocht door onder andere de eisen aan de hoedanigheid van de verkrijger respectievelijk overdrager, participatie-eisen, bezitseisen en voortzettingseisen te analyseren. Hieruit blijkt dat alle lidstaten maatregelen hebben getroffen die min of meer aan de criteria voldoen. De Spaanse bedrijfsopvolgingsfaciliteit kan wel nog worden geoptimaliseerd door de faciliteit ook open te stellen voor werknemers niet-familieleden. Het uitsluiten van een verkrijging door bijvoorbeeld een neef als er ook kinderen zijn, zou ook moeten vervallen. Onnodig belemmerend aan de Spaanse faciliteit is verder dat bij erfopvolging de verkrijger minimaal 65 jaar oud moet zijn en minimaal twee jaar moest samenwonen met de erflater. De verkrijger moet tien jaar ondernemingsactiviteiten blijven verrichten hetgeen in lijn is met de doelstelling van de faciliteit. Dat hij ook dezelfde verblijfplaats moet houden, is dat niet.

Uit de analyse blijkt ook dat de lidstaten verschillende eisen stellen aan de overdrager, het bedrijf en de voortzetter. Aangezien er binnen Europa nog geen uniforme definitie van het begrip “familiebedrijf” wordt gehanteerd en ook de reikwijdte van het begrip “familie” gevarieerd wordt ingevuld, zou meer uniformiteit in de nationale regelgevingen van de onderzochte lidstaten problemen in grensregio’s kunnen voorkomen. Dit kan worden bewerkstelligd door het uitwisselen van best practices of door het formuleren van een Europese aanbeveling waarin concrete criteria zijn opgenomen ten behoeve van de nationale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Indien hier ook een uniforme definitie van het begrip “familiebedrijf” wordt opgenomen, zal dit leiden tot meer duidelijkheid inzake het fiscaal faciliteren van familiale bedrijfsoverdrachten.